pesticiden-vervangen

Waals Programma voor de vermindering van pesticiden

Wallonië staat aan de spits van de vermindering van pesticiden en het toekomstige verbod daarop. Hier is het programma dat ze sinds 2014 hebben ingezet.

Het gebruik van en de blootstelling aan bestrijdingsmiddelen of de residuen daarvan houden risico’s in voor zowel het milieu als de gezondheid. Om dit gebruik beter te reguleren heeft de Europese Unie in 2009 Richtlijn 2009/128/EG tot vaststelling van een communautair kader voor een duurzaam gebruik van pesticiden aangenomen.

Een van de concrete aspecten van deze richtlijn is de uitvoering, in elke lidstaat, van een nationaal actieplan dat in België NAPAN (Nationaal Actieplan d’Action National) heet.pesticides

Het Waalse Programma ter vermindering van het pesticidengebruik (PWRP) is het Waalse deel van dit NAPAN, dat ook drie andere delen zal omvatten: federaal, Vlaams en Brussel. Zodra het programma is aangenomen, zal het om de vijf jaar worden herzien.

Het bevat de maatregelen die het mogelijk maken om de doelstellingen van de richtlijn inzake de vermindering van de risico’s van pesticiden te verwezenlijken. De uitvoering van dit programma zal met name leiden tot het beheer van openbare ruimten zonder gewasbeschermingsmiddelen, vanaf juni 2019, tot een betere bescherming van het oppervlakte- en grondwater tegen verontreiniging door pesticiden, tot een specifieke bescherming van degenen die het meest kwetsbaar zijn voor pesticiden (kinderen, zwangere vrouwen, zieken, ouderen, enz.), enz.

Landbouwers, professionals uit de groene sector, amateurtuiniers, gewone burgers, beheerders van openbare ruimten of mensen die een gevoelig publiek ontvangen… uw mening is van belang voor Wallonië en kan bijdragen tot de verbetering van dit programma met het oog op de definitieve goedkeuring en natuurlijk de uitvoering ervan.

Geschiedenis van de pesticiden

Gewasbeschermingsmiddelen worden al sinds mensenheugenis gebruikt, zoals blijkt uit het gebruik van zwavel dat door Homerus (750 v.Chr.) wordt genoemd en dat van kont, dat door Plinius de Oudere in de 1ste eeuw na Christus als insecticide werd aanbevolen.

In de loop van de 15e eeuw werden chemicaliën op basis van lood, arseen en kwik verspreid in gewassen om schadelijke organismen te elimineren. In de 19e eeuw werd het gebruik van anorganische chemie noodzakelijk toen ernstige epidemieën de vitale landbouwproductie troffen. In 1845 veroorzaakte de epidemie van de aardappelziekte (Phytophthora infestans) een dramatische hongersnood in Ierland en grote schade in heel Europa. De granen hebben hetzelfde lot ondergaan door roestvorming (Puccinia spp.).

In de eerste helft van de 20e eeuw heeft de ontwikkeling van de synthetische organische chemie geleid tot het ontstaan van een groot aantal verbindingen. Deze omvatten pyrethrine gewonnen uit de gedroogde bloemen van Chrysant (1924) en rotenon gewonnen in de jaren dertig van de vorige eeuw uit de wortels van verschillende planten van de geslachten Derris, Lonchocarpus en Tephrosia. De organische insecticiden van deze periode zijn voornamelijk vertegenwoordigd door organochloorverbindingen zoals DDT (dichloordifenyltrichloorethaaninsecticide dat wordt gebruikt om talrijke insectenplagen te bestrijden en ook tegen de teken die verantwoordelijk zijn voor malaria).

In de tweede helft van de 20e eeuw heeft de schaarste aan goedkope arbeidskrachten in de onkruidbestrijding bijgedragen aan het ontstaan van selectief wieden. De vooruitgang op het gebied van gewasbescherming heeft in grote mate bijgedragen tot een hogere opbrengst en een grotere regelmaat van de productie. Gewasbeschermingsmiddelen zijn gemakkelijk toegankelijk en te gebruiken, relatief goedkoop en hebben in een groot aantal gevallen bewezen zeer effectief en betrouwbaar te zijn over grote oppervlakten.

Het systematische gebruik van deze producten wordt echter in twijfel getrokken, omdat men zich steeds meer bewust wordt van de risico’s die zij kunnen opleveren voor het milieu, de biodiversiteit en de menselijke gezondheid.

Zo werd tijdens het recente academiejaar 2012-2013 van de Faculteit Gembloux Agro Bio Tech1 de effectiviteit van de huidige risicobeoordelingsmethoden voor de accreditatie van bestrijdingsmiddelen ondermijnd door professor Schiffers. Nieuwe technologieën maken het mogelijk om minieme sporen van bestrijdingsmiddelenresiduen op te sporen en de effecten ervan op dieren en hun metabolisme te observeren. De huidige methoden zouden onvoldoende rekening houden met producten die aan de werkzame stof zijn toegevoegd (bv. bevochtigingsmiddelen, emulgatoren) om er een bestrijdingsmiddel van te maken. Het « cocktail »-effect (synergieën en interacties tussen verschillende werkzame stoffen) zou onvoldoende in aanmerking worden genomen. In een recent rapport van de Franse Senaat zijn deze kwesties ook onderzocht. Bovendien worden in verschillende artikelen alternatieve methoden genoemd en voorgesteld die ook zijn ontwikkeld en gemoderniseerd en die het mogelijk zouden maken om zonder pesticiden te produceren met een opbrengst die gelijkwaardig is aan die van de conventionele landbouw. Er is dus een belangrijke legitieme vraag die zich in de samenleving ontwikkelt met het oog op een toenemend gebruik van alternatieve methoden en het geleidelijk afzien van het gebruik van pesticiden.

Pesticiden en gewasbeschermingsmiddelen

Pesticide »: alle gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Een gewasbeschermingsmiddel (PPS) wordt ook wel eens aangeduid als een gewasbeschermingsmiddel of een gewasbeschermingsmiddel. Het is een natuurlijk voorkomend of chemisch ontwikkeld product dat wordt gebruikt om plantenziekten en -plagen te bestrijden of om ongewenste planten of organismen te elimineren. Het omvat herbiciden, fungiciden, insecticiden, groeiregulatoren, enz.

In België, en dus ook in Wallonië, werd besloten om de Europese terminologie te gebruiken om de samenhang tussen de verschillende wetteksten te behouden. In het Waalse Programma ter vermindering van de pesticiden (PWRP) zullen de termen gewasbeschermingsmiddelen en pesticiden dus worden gebruikt naargelang de maatregelen alleen betrekking hebben op FFP’s of op alle FFP’s en biociden. In Richtlijn 2009/128/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden wordt immers duidelijk gesteld dat zij in eerste instantie alleen van toepassing is op GBP’s. Het toepassingsgebied zal in de toekomst worden uitgebreid tot biociden. Bij de herziening van het PWRP (na 5 jaar) kan de uitbreiding tot biociden worden overwogen.

Wetgevend kader

In de loop van 2009 hebben het Europees Parlement en de Raad het « pesticidenpakket » aangenomen. Deze bestaat uit 2 richtlijnen en 2 verordeningen die gericht zijn op het bereiken van de doelstellingen van de thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden zoals die in 2006 door de Europese Unie is gepresenteerd.

De kaderrichtlijn 2009/128/EG

De kaderrichtlijn 2009/128/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (ook bekend als de kaderrichtlijn pesticiden of PCD) is transversaal. De omzetting ervan vereist de tussenkomst van de 7 gefedereerde entiteiten, namelijk de federale staat, de 3 Gewesten en de 3 Gemeenschappen.

België is een federale staat die bestaat uit gemeenschappen en gewesten. België is op basis van taal en cultuur verdeeld in 3 Gemeenschappen en op basis van grondgebied in 3 Gewesten.

Op basis hiervan zijn bevoegdheden gedeconcentreerd naar de verschillende gefedereerde entiteiten. Sommige competenties kunnen soms een beroep doen op verschillende machtsniveaus; in dit geval worden ze gemengde competenties genoemd.

In het kader van de omzetting van deze richtlijn legt de Waalse regering de laatste hand aan de herziening van de regelgeving met betrekking tot de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen in de openbare ruimte. De belangrijkste punten van deze nieuwe verordening hebben betrekking op :

het verbod op de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen vanaf 1 juni 2014. Tussen 2014 en 2019 zullen echter afwijkingen worden toegestaan voor bepaalde gebieden en soorten planten om gewasbeschermingsmiddelen als laatste redmiddel te kunnen gebruiken;
verplichte toepassing van de beginselen van geïntegreerde gewasbescherming ;
de definitie van de bufferzones;
bewijs van voldoende kennis over pesticiden bij de applicateur en de servicemanager ;
maatregelen voor de bescherming van kwetsbare groepen en voor het bijhouden van een register van chemische behandelingen die overeenkomstig de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1107/2009 zijn uitgevoerd.

De teksten tot omzetting van deze richtlijn zullen in het voorjaar van 2013 definitief worden aangenomen.

Het opstellen en uitvoeren van het NAPAN (Nationaal Actieplan) staat centraal bij de uitvoering van deze richtlijn. Dit plan zal bestaan uit het federale plan (het PFRP3), het Vlaamse gewestplan (VADP), het Brusselse gewestplan (Plan régional de réduction des pesticides) en het Waalse gewestelijke programma (Programme wallon de réduction des pesticides). Het Waalse bestrijdingsmiddelenreductieprogramma zal om de 5 jaar worden herzien.

Stand van zaken met betrekking tot het gebruik van GBP’s

Op Europees niveau

Uit de door Eurostat gepubliceerde cijfers blijkt dat Frankrijk de grootste verbruiker van gewasbeschermingsmiddelen in Europa is, gevolgd door Italië, Spanje, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Als we echter rekening houden met het gebruik van het nuttig landbouwareaal van elke lidstaat, zijn de vijf grootste consumenten Portugal, Nederland, België, Frankrijk en Italië.

In het algemeen vertonen de landen verschillende gebruikspatronen van gewasbeschermingsmiddelen, die met name verband houden met de klimatologische omstandigheden. In koude landen (Zweden, Finland, Denemarken en Ierland) worden weinig fungiciden en insecticiden gebruikt. Anderzijds is de consumptie ervan hoog in de Zuid-Europese landen (Italië, Spanje, Portugal, Griekenland en Frankrijk), vanwege het belang van de groentegewassen, de boomkwekerij en de wijnstokken.

De tabel hiernaast toont de verdeling van het verbruik van gewasbeschermingsmiddelen (uitgedrukt in tonnen werkzame stoffen) per land op basis van de cijfers van de OESO.

Consommation des produits phytopharmaceutiques

Invloed op de waterkwaliteit

Oppervlaktewater

Het hoofddoel van de waterkaderrichtlijn is het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand van de verschillende waterlichamen die deel uitmaken van de stroomgebieden. Het toezicht op de toestand van de oppervlaktewateren wordt uitgevoerd door de Directie Oppervlaktewateren (DEE, DGARNE) voor de chemische en fysisch-chemische elementen en door de Dienst voor de Studie van het Natuurlijk en Agrarisch Leefmilieu (DGARNE) voor het biologisch gedeelte.

De belangrijkste werkzame stoffen die de afgelopen jaren in het oppervlaktewater in Wallonië zijn aangetroffen, zijn :

voornamelijk herbiciden, waaronder isoproturon, linuron en atrazine;
lindaan en dimethoaat, dat zijn insecticiden;
bepaalde stoffen die al lang verboden zijn, maar zeer persistent zijn: lindaan (verboden sinds 2001), atrazine (verboden sinds 2004) en diuron (verboden sinds 2007).

Grondwater

Uit de analyse van de patrimoniale toestand van het grondwater over de periode 2007-2010 blijkt dat 10 waterlichamen (van de 33 die deel uitmaken van Wallonië) in verschillende mate een bewezen risico op verontreiniging door gewasbeschermingsmiddelen inhouden. De meest getroffen waterlichamen, d.w.z. de waterlichamen met de slechtste kwaliteitsindices4 over de gehele watervoerende laag zijn 4, namelijk de waterlichamen van Sables du Bruxellien, Sables des Flandres, Sables du Geer Basin Chalk en Sables Bruxelliens de Haine et Sambre. In de 6 andere getroffen waterlichamen is de verontreiniging over het algemeen minder belangrijk en meer gelokaliseerd. De watervoerende lagen in de Ardennen en de diepste watervoerende lagen in gevangenschap die door een kleiachtige laag worden bedekt (zoals de Doornikse kalkstenen) zijn relatief goed bewaard gebleven.

De meest problematische moleculen zijn atrazine en de belangrijkste metabole stof (desethylatrazine), bentazon en 2,6-dichloorbenzamide (BAM), aangezien deze de hoogste concentraties bevatten in de helft van de grondwaterkwaliteitscontrolegebieden. Het gebruik van de meeste van deze werkzame stoffen (voor agrarisch en niet-agrarisch gebruik) is al enkele jaren bekend, maar ze hebben het kenmerk dat ze bijzonder persistent en mobiel zijn in bodems en watervoerende lagen5.

Wat het voor menselijke consumptie bestemde grondwater betreft, verplicht DGARNE de producenten van drinkwater om ongeveer 100 gewasbeschermingsmiddelen in ruw water te onderzoeken en te analyseren, overeenkomstig Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water. De resultaten van deze analyses geven aan dat herbiciden (agrarisch en niet-agrarisch gebruik) verantwoordelijk zijn voor het merendeel van de pesticideproblemen die de producenten van drinkwater ondervinden6.

Deze problemen komen echter nog steeds minder vaak voor dan de problemen die verband houden met de overmatige aanwezigheid van nitraat: de hoeveelheden drinkwater die een risico op nitraatvervuiling inhouden (nitraatgehalte

> 37,5 mg/l) zijn in feite ongeveer 7 keer groter dan de volumes die worden beïnvloed door de aanwezigheid van PPS. Bovendien heeft de overschrijding van de normen voor de concentratie van gewasbeschermingsmiddelen in ruw water de waterproducenten ertoe aangezet om tussen 1993 en 2009 behandelingen uit te voeren of hun productie te onderbreken op 41 grondwateronttrekkingslocaties, wat in termen van gecumuleerde volumes ongeveer 16,2 miljoen m3 vertegenwoordigt, d.w.z. 5,1% van de totale jaarlijkse productie van drinkwater in Wallonië.

Tegen de prijs van een bijzonder dure specifieke drinkbaarheidsbehandeling (adsorptie op actieve kool) op ± 85% van de beïnvloede volumes, worden uiteindelijk maar weinig drinkwaterwingebieden buiten gebruik gesteld wegens de aanwezigheid van FFP. Er zij ook op gewezen dat het aantal stroomgebieden en de hoeveelheden drinkbaar water die door de aanwezigheid van fytofarmaceutische producten worden beïnvloed, zich sinds 2004 hebben gestabiliseerd.

Distributie water

Het water dat door de netwerken wordt gedistribueerd is een van de meest gecontroleerde voedingsmiddelen in Wallonië, met meer dan 39.000 controles per jaar. Deze worden uitgevoerd van het stroomgebied tot aan de kraan. Leidingwater moet voldoen aan de kwaliteitseisen die de Europese en Waalse wetgeving stelt. Zo mag het bijvoorbeeld geen micro-organismen, parasieten of stoffen (waaronder FFP’s) bevatten die mogelijk gevaarlijk zijn voor de gezondheid van de mens. Het moet ook voldoen aan een aantal drinkwaternormen.

In het algemeen is de kwaliteit van het drinkwater in Wallonië uitstekend, met een conformiteitspercentage van 98,8% met de geldende normen. De niet-conforme concentraties van fytosanitaire producten in « leidingwater » waren slechts 0,0035% van de in 2009 uitgevoerde analyses als oorzaak van de niet-naleving aan te merken.

Gevolgen voor de biodiversiteit

De soorten die in het milieu leven, leven niet zelfstandig. Elk organisme heeft een wisselwerking met andere organismen die op hun beurt weer positief of negatief worden beïnvloed door andere organismen. Deze levende wezens, hun omgeving en de verschillende natuurlijke processen die deel uitmaken van het milieu vormen de « biologische diversiteit » die biodiversiteit wordt genoemd. De fauna, de flora, de bacteriën en de omgeving zijn elk een schakel in de keten.

Wanneer een gewasbeschermingsmiddel op een bepaald doelwit wordt gebruikt, kunnen onbedoelde effecten op niet-doelwitorganismen optreden. De gebruikte stof kan namelijk beoogde effecten hebben op organismen die schadelijk zijn voor het gewas, maar ook op diverse fysiologische functies van niet-doelwitlevende wezens. Om deze onbedoelde effecten van GBP’s op het milieu tot een minimum te beperken, moeten er studies worden uitgevoerd naar de ecotoxiciteit en het milieugedrag (afbraaksnelheid en -mobiliteit van de bodem, afbraaksnelheid en -routes in het water en de lucht, enz.

Zelfs als een product is toegelaten voor verkoop, moeten tijdens het gebruik ervan alle maatregelen worden genomen om verspreiding van het product in de lucht, het water of de bodem te voorkomen en om deze natuurlijke dynamiek, die levende organismen in staat stelt hun vermogen tot aanpassing aan het milieu te behouden, te behouden.

Gevolgen voor de gezondheid

Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de verbetering van de landbouwopbrengsten en heeft geleid tot een enorme vooruitgang in de controle op voedselbronnen. Het gebruik ervan kan echter leiden tot de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelenresiduen8 in geoogste producten en de consument aan een gezondheidsrisico blootstellen. Het dieet van de consument is de belangrijkste manier om aan deze residuen van bestrijdingsmiddelen te worden blootgesteld. Daarom legt de wetgeving9 maximumresidugehalten (MRL’s)10 op in hun samenstelling voor alle verse producten van plantaardige of dierlijke oorsprong. Het doel van deze MRL’s is de gezondheid van de consument te beschermen.

De beoordeling van een werkzame stof omvat een gevarenkarakterisering van de intrinsieke eigenschappen ervan en een risicobeoordeling, waarbij rekening wordt gehouden met het gebruik dat op basis van ecotoxicologische gegevens wordt geclaimd. Desalniettemin kunnen sommige onbedoelde effecten van gewasbeschermingsmiddelen optreden. Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen acute en chronische effecten. Acute effecten zijn effecten die plotseling optreden en snel veranderen. Ze zijn meestal gerelateerd aan een korte maar hoge dosis blootstelling. Ze verdwijnen meestal spontaan wanneer de blootstelling stopt. Chronische effecten daarentegen zijn hardnekkige klinische verschijnselen die zich langzaam ontwikkelen. Ze zijn vaak gerelateerd aan een lage maar langdurige blootstelling. Ze kunnen enkele tientallen jaren na de blootstelling (latentietijd) optreden en zijn meestal onomkeerbaar zonder behandeling.

De belangrijkste kennis over de acute effecten van pesticiden op de mens is afkomstig van waarnemingen die zijn gedaan in een werkomgeving en van gevallen van vergiftiging die zijn gedocumenteerd door gifbestrijdingscentra. De overgrote meerderheid van de epidemiologische studies over chronische effecten heeft betrekking op beroepsbeoefenaren die in het kader van hun werk gebruik maken van pesticiden.

De langetermijneffecten van chronische blootstelling zijn echter moeilijker in te schatten, met name op het niveau van de bevolking. Daar zijn vele redenen voor: pesticiden omvatten een groot aantal verbindingen met uiteenlopende toepassingen en verschillende chemische families met uiteenlopende toxicologische effecten. De interactie van verbindingen met elkaar is nog steeds slecht gedocumenteerd in termen van « cocktail effecten ».

Een andere moeilijkheid houdt verband met het multifactoriële karakter van pathologieën. Er moet ook rekening worden gehouden met de veelheid aan blootstellingsroutes (inslikken, inademen, contact met de huid) en blootstellingen (primair bij gebruik van het product, secundair bij aanwezigheid van producten in het milieu). De lage besmettingsniveaus die over het algemeen worden waargenomen, maken het ook moeilijk om de blootstelling van de bevolking te kwantificeren.

Ten slotte vormt het feit dat het vaak noodzakelijk is om de blootstelling in het verleden te karakteriseren, rekening houdend met de vertraagde effecten van pesticiden, een extra moeilijkheid voor studies. In het werk dat de afgelopen jaren is gepubliceerd, wordt echter de nadruk gelegd op vertraagde gezondheidseffecten, waarbij vooral melding wordt gemaakt van kankers, maar ook van neurologische effecten (zoals de ziekte van Parkinson) en van voortplantings- en ontwikkelingsstoornissen. Een Frans decreet, dat op 7 mei 2012 in werking is getreden, erkent nu officieel de ziekte van Parkinson als een beroepsziekte in de landbouw die verband houdt met het gebruik van pesticiden.

Sommige Franse boeren hebben ook een vereniging opgericht, Phyto-Victimes genaamd, om de aandacht te vestigen op de ziekten die worden veroorzaakt door herhaalde blootstelling aan pesticiden en om boeren die het slachtoffer zijn van ernstige ziekten (kanker, neurodegeneratieve ziekten) te helpen hun rechten te laten erkennen. Zo won een boer in de Charente in februari 2012 zijn zaak tegen een plantenbeschermingsbedrijf dat verantwoordelijk werd geacht voor zijn vergiftiging door de dampen van een onkruidverdelger. In april 2012 werd de Franse staat bevolen om een boer in Meurthe-et-Moselle die lijdt aan het myeloproliferatieve syndroom, veroorzaakt door blootstelling aan benzeen, te compenseren.

Lees meer in de slideshare, hieronder

Laten we allemaal verantwoordelijk zijn voor het behoud van ons milieu!